Foto's zondag 3 september 2006   



  Programma  

 


zondag 3 september 2006 11:45 uur - Nicolaïkerk


zondag 3 september 2006
11:45 uur - Nicolaïkerk

Bach cantateconcert


Cappella di San Pietro


o.l.v. Peter Dijkstra

Esther Ebbinge, Paulien van der Werff-sopraan
Saskia Kruysse, Joseph Schlesinger-alt
Otto Bouwknegt, Henk Westland-tenor
Michiel Meijer, Martijn de Graaf Bierbrauwer-bas
Elisabeth Ingen Housz, Hans Lub-viool
Makoto Akatsu-altviool
Bas van Hengel-cello
Jan Hollestelle-contrabas
Tami Krausz-traverso
Peter Frankenberg, Fernando Souza, Simone Stultiëns-hobo
Yukiko Murakami-fagot
Harry Hoegee-hoorn
Jan Paul de Leeuw-orgel


Traditiegetrouw sluit de serie Zomerconcerten met een cantate van Johann Sebastian Bach. Wij bieden onze bezoekers een gratis concert aan in aansluiting op de cantatedienst van de kerkelijke gemeente.

Tijdens de kerkdienst (aanvang 10:00 uur) wordt uitgevoerd:
Ach wie flüchtig, ach wie nichtig BWV 26
cantate voor de 24e zondag na Trinitatis
(Leipzig, 19 november 1724)

Voor het concert is de keuze dit jaar gevallen op:

Mache dich, mein Geist bereit BWV 115
cantate voor de 22e zondag na Trinitatis
(Leipzig, 5 november 1724)

Cappella di San Pietro werd opgericht in 1993 en bestaat uit een koor van acht zangers en een enkelvoudig bezet instru-mentaal ensemble. De zangers nemen zowel koor- als solo-partijen voor hun rekening. De meeste van hen zijn actief in ensembles als The Amsterdam Baroque Choir en het koor van de Nederlandse Bachvereniging. Het instrumentaal ensemble speelt op oude instrumenten of kopieën daarvan. De leden spelen in verschillende vooraanstaande barokorkesten. Het ensemble stond onder leiding van dirigenten als Peter Dijkstra, Jaap ter Linden, Daniel Reuss en Anthony Zielhorst.
De naam Cappella di San Pietro refereert aan de bakermat van het ensemble, de Utrechtse Pieterskerk.

Peter Dijkstra (1978) begon op jonge leeftijd met zingen in het Roder Jongenskoor. Hij studeerde koor- en orkestdirectie en solozang aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag en behaalde voor deze studies het diploma summa cum laude met onderscheiding. Hierna studeerde hij directie aan de Hochschule für Musik in Keulen bij Marcus Creed. Hij is momenteel artistiek leider van vocaal ensemble MUSA, een gemengd koor in Utrecht, en van vocaal ensemble The Gents. Met dit koor won hij verschillende prijzen op internationale festivals en maakte hij diverse cd-opnamen. In oktober 2003 won hij de eerste prijs tijdens de Eric Ericson Competitie in Stockholm. Inmiddels is hij een veelgevraagde gast bij o.a. het Nederlands Kamerkoor, het RIAS Kammerchor Berlijn, het Fins Radio Kamerkoor en het Südwestfunk Vokalensemble in Stuttgart. Sinds september 2005 bekleedt hij de positie van artistiek leider van het Chor des Bayerischen Rundfunks in München gaan bekleden. Onlangs is hij ook benoemd als vaste gastdirigent bij het Zweeds Radiokoor.

Toelichting uitgevoerde cantates

De cantate Ach wie flüchtig, ach wie nichtig voor de vierentwintigste zondag na Trinitatis werd geschreven voor 19 november 1724 en behoort tot de tweede jaargang cantates die Bach als Thomascantor in Leipzig schreef. Bachs productiviteit in zijn eerste jaren in Leipzig is onvoorstelbaar, zowel in kwantitatief als zeker ook in kwalitatief opzicht. Kennelijk was het zijn bedoeling uitsluitend composities van eigen hand uit te voeren. Dit betekende dat wekelijks een nieuwe cantate gecomponeerd, in partijen uitgeschreven, ingestudeerd en uitgevoerd moest worden. Voor zijn tweede jaargang cantates in Leipzig stelde Bach zich een bijzondere opgave, die bovendien het teruggrijpen naar eerdere composities vrijwel onmogelijk maakte. Als uitgangspunt voor deze cantates koos hij oude lutherse kerkliederen, passend bij de zondag van het kerkelijk jaar. Het grondplan van deze zogenaamde koraalcantates is steeds hetzelfde: de eerste en laatste strofe van het koraal zijn onveranderd overgenomen als openingskoor respectievelijk slotkoraal; de overige strofen zijn zeer vrij omgedicht tot recitatieven en aria's. De meeste op deze wijze omgedichte teksten lijken van de hand van één, tot voor kort niet bekende, dichter. Volgens Christoph Wolff is de vermoedelijke dichter Andreas Stübel, een emeritus conrector van de Thomasschule. Hij leidt dit af uit het feit dat na Stübels dood in het voorjaar van 1725 de koraalcantatecyclus abrupt wordt afgebroken. De serie koraalcantates bestrijkt de periode van de eerste zondag na Trinitatis 1724 tot Palmzondag 1725. Bach componeerde in deze periode in totaal 41 cantates volgens het zojuist beschreven procédé.

Aan de cantate ligt het gelijknamige lied van Michael Franck (1609-1667) ten grondslag, een meditatie over de vergankelijkheid van het menselijk leven en alle aardse zaken. Zoals gebruikelijk zijn de eerste en laatste strofe van het lied onveranderd overgenomen en zijn de overige strofen tot aria's en recitatieven omgedicht. De evangelielezing van de zondag, het verhaal over de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (Mattheus 9, 18-26) is met het thema 'dood' aanleiding voor de keuze van het lied geweest, maar wordt in de cantatetekst zelf verder niet genoemd.
De beeldende tekst van de cantate heeft Bach tot evenzo beeldende muziek geïnspireerd. De instrumentale inleiding van het openingskoor illustreert vanaf het begin met korte akkoorden en voortijlende toonladderfiguren de vluchtigheid en nietigheid, waarvan de tekst spreekt. Hieruit ontstaat een uiterst levendig muziekstuk, waarbij houtblazers en strijkers in snelle afwisseling elkaar de motieven toespelen. Qua vorm volgt Bach het door hem voor de openingskoren van de koraalcantates bij voorkeur gehanteerde model: ingebed in een thematisch zelfstandige orkestpartij wordt het koraal regel voor regel door de sopraan (versterkt door een hoorn) voorgedragen, begeleid door de overige zangstemmen. De onderstemmen begeleiden de cantus firmus ditmaal overwegend niet imiterend, maar homofoon, als een aparte groep. Een bijzonder effect bereikt Bach door aan het einde van ieder koorgedeelte de drie onderstemmen de betreffende tekstregel op een van het begin van het lied afgeleide melodie unisono te laten zingen.
Ook de overige delen van de cantate zijn uitgesproken beeldend. De tenoraria 'So schnell ein rauschend Wasser schie?t' schetst in de partijen van fluit en viool en vervolgens ook in die van de zangstem het beeld van een snelstromend water als symbool van ons voortijlende leven, waarbij de uren vergeleken worden met vallende waterdruppels. Het altrecitatief schildert hoe vreugde in treurigheid verandert - een wijd uithalende coloratuur mondt uit in een bange dissonant -, hoe schoonheid vergaat en hoe de dood alles vernietigt. De basaria met haar ongebruikelijke bezetting van drie hobo's is een regelrecht pronkstuk, zoals men eigenlijk alleen in een wereldlijke cantate verwacht. De aan de dwaze wereld gerichte afwijzing om 'an irdische Schätze das Herze zu hängen' gebeurt muzikaal in de taal van de wereld, nl. in de vorm van een hofdans, een bourrée. Het sopraanrecitatief leidt daarna terug naar een meditatie over de vergankelijkheid van het menselijk leven en handelen. Het slotkoraal sluit hierbij aan, maar verklaart wie godvruchtig is bestand tegen alle vergankelijkheid.

De cantate Mache dich, mein Geist, bereit voor de tweeëntwintigste zondag na Trinitatis werd geschreven voor 5 november 1724 en behoort tot de tweede jaargang cantates die Bach als Thomascantor in Leipzig schreef. Bachs productiviteit in zijn eerste jaren in Leipzig is onvoorstelbaar, zowel in kwantitatief als zeker ook in kwalitatief opzicht. Kennelijk was het zijn bedoeling uitsluitend composities van eigen hand uit te voeren. Dit betekende dat wekelijks een nieuwe cantate gecomponeerd, in partijen uitgeschreven, ingestudeerd en uitgevoerd moest worden. Voor zijn tweede jaargang cantates in Leipzig stelde Bach zich een bijzondere opgave, die bovendien het teruggrijpen naar eerdere composities vrijwel onmogelijk maakte. Als uitgangspunt voor deze cantates koos hij oude lutherse kerkliederen, passend bij de zondag van het kerkelijk jaar. Het grondplan van deze zogenaamde koraalcantates is steeds hetzelfde: de eerste en laatste strofe van het koraal zijn onveranderd overgenomen als openingskoor respectievelijk slotkoraal; de overige strofen zijn zeer vrij omgedicht tot recitatieven en aria's. De meeste op deze wijze omgedichte teksten lijken van de hand van één, tot voor kort niet bekende, dichter. Volgens Christoph Wolff is de vermoedelijke dichter Andreas Stübel, een emeritus conrector van de Thomasschule. Hij leidt dit af uit het feit dat na Stübels dood in het voorjaar van 1725 de koraalcantatecyclus abrupt wordt afgebroken. De serie koraalcantates bestrijkt de periode van de eerste zondag na Trinitatis 1724 tot Palmzondag 1725. Bach componeerde in deze periode in totaal 41 cantates volgens het zojuist beschreven procédé.

Aan de cantate ligt het gelijknamige lied van Johann Burchard Freystein (1671-1718) ten grondslag, een aansporing tot waakzaamheid en gebed. Zoals gebruikelijk zijn de eerste en laatste strofe van het lied onveranderd overgenomen en zijn de overige strofen tot aria's en recitatieven omgedicht. Een verband met de evangelielezing van de zondag - Mattheus 18, 23-35, de gelijkenis van de knecht aan wie de koning ruimhartig alle schulden kwijtscheldt, maar die ombarmhartig omgaat met zijn eigen schuldenaren - bestaat slechts zijdelings. Niet de kern van de gelijkenis, de tegenstelling tussen Gods genade en menselijke onbarmhartigheid staat centraal in de cantatetekst, maar slechts een deelaspect wordt uitgelicht: het voornemen van de koning om afrekening te houden treft de knecht onvoorbereid; daarom is het zaak voorbereid te zijn, wanneer de heer komt en afrekening van ons verlangt.
Het openingskoor heeft de door Bach in zijn koraalcantates bij voorkeur gehanteerde vorm: ingebed in een thematisch zelfstandige orkestpartij wordt het koraal regel voor regel door de sopraan (versterkt door een hoorn) voorgedragen, begeleid door de overige zangstemmen. De onderstemmen begeleiden de cantus firmus - de melodie van 'Straf mich nicht in deinem Zorn' - deels imiterend, deels homofoon. Opmerkelijk is de kamermuzikale instrumentale bezetting: boven het basso continuo concerteren niet meer dan drie stemmen, dwarsfluit, hobo d'amore en de tot één stem samengevoegde violen en altviool. In het tussenspel na de voorlaatste liedregel verandert de instrumentale structuur door de introductie van een 'tumultmotief' van zestienden in de strijkers (later ook in de fluitpartij), kennelijk om 'Satans List' muzikaal te verbeelden.
De altaria 'Ach schläfrige Seele, wie Ruhest du noch?' zou in een opera niet hebben misstaan. Het hoofddeel is een zwaarmoedig siciliano, een schildering van de slaperige ziel. Het is nochtans geen lofzang op de slaap, maar een aansporing tot waakzaamheid, een waarschuwing voor gevaar dat het zielenheil bedreigt: 'Es möchte die Strafe dich plötzlich erwecken / und, wo du nicht wachest, / im Schlafe des ewigen Todes bedecken'. Het bedreigende van de situatie wordt muzikaal onderstreept door een plotselinge tempowisseling van Adagio naar Allegro.
De sopraanaria 'Bete aber auch dabei' staat hiermee in groot contrast. Al het theatrale is haar vreemd. De tekst gaat over gebed, over de vraag aan God om geduld en om vergeving van de zonden. De muziek ademt een sfeer van deemoed en aandacht. Het is een subliem stuk kamermuziek in de vorm van een kwartet, gevormd door fluit, violoncello piccolo, sopraan en continuo. Het slotkoraal keert daarna terug naar het basisthema van de cantate met de conclusie: 'drum so la?t uns immerdar / wachen, flehen, beten'.


 

Top


[Home]